Het was een warme zomerdag geweest, de zon was langzaam maar zeker achter de horizon gaan slapen en een halfvolle maan, maagdelijk bleek, verrees aarzelend maar zeker tussen de vol in blad staande bomen van het stadspark.
Er stond een zachte verkoelend windje, die, gelijk mevrouw van Naslaan, een zeer wijze dame uit het literaire werk “Camera Obscura” waarin Hildebrand op gevatte wijze de draak stak met de maatschappij, een zeer wijze dame die verstandelijke bevindingen had, beter was dan een koude tocht, omdat een koele bries, altijd wel hielp op een hete dag en een koude tocht lastig is.
In het steeds donker wordende park liep een Jack Russel die zijn baasje, een man van in de dertig die de op de bovenlip een reepje haar had, een snor die David Niven wel, maar verder niemand, inclusief tante Agaat, goed staat, voort trok. Het beestje wilde waarschijnlijk, na eerst een paar boodschappen te hebben gedaan, het park uit.
Van de andere kant naderde een jonge dame die, zoals dat netjes, om grenzen niet te overschrijden, wat vandaag te dag voor iedere man ouder dan vijf jaar kan leiden tot een levenslange verbanning, nogal luchtig was gekleed, wat gezien het weer aangenaam leek maar ook meteen haar rondborstigheid onthulde, maar tevens deed vermoeden dat ze de stof niet echt onder de knie had. Ze werd vergezeld door een Chihuahua, zo’n keffertje dat zijn ware aard en afmetingen met een grote bek meent te moeten verbergen.
En dat deed het keffertje ook toen de would-be snor hen naderde.
Het beestje begon een tirade waar zelfs de eerder genoemde tante Agaat, toch echt niet op haar mondje gevallen met haar tirades tegen ome Jos nog bang van zou zijn geworden.
“Fel beestje, hoe heet ze?” sprak de snor in een poging een gesprek, zoals honden bezitters vaak met elkaar doen, te starten.
“Hem noemt Hannibal en hij is geen zij” antwoorde de aan haar uitspraak te horen zuiderbuur vanuit België.
“Oh sorry, maar nu ik zijn achterzijde bezie, zie ik inderdaad het teken van mannelijkheid. Wel fel dat beestje.”
“Hem is een dier, geen beest.”
Wijselijk hield de snor zijn mond.”
“Maar” zo ging ze verder “ik vind wel dat hem wat rustiger kan zijn ja. Immer als hem een andere mannetjes hond waarneemt, gaat hij zo te keer.”
“Als ik u van een advies kan voorzien, steriliseren, of beter castreren, helpt vaak tegen die felheid.”
“Ik weet dat, dat zegt mijn veterinair ook, echter, hij heeft maar één bal.”
“Daarom heet hij zeker Hannibal” wilde de snor zeggen, maar hield op tijd zijn mond, wetend dat vrouwen vaak een ander soort humor leuk vinden dan mannen.
“De andere bal is niet ingedaald dus, ze weten niet waar hij is. En ik hen de veterinair gezegd dat als ze met een pinkje peuteren, ze hem toch wel kunnen vinden, maar nee, dat gaat niet.”
Snorremans kreeg alleen al bij het idee en heftig gevoel in de onderbuik en deed zijn best de gedachten aan pinken in edele delen te verliezen, wat maar moeilijk lukte.
“Nou, wellicht dat er toch een oplossing is.”
“Ik wacht het maar af, en hoe noemt uw hondje dat nu een beetje angstig van achter uw benen mij aan zit staren?”
“Zack, met Zet Aa Cee Kaa. Eerst was hij vernoemt naar Honoré Balzac de Franse romanschrijver, toneelschrijver en theoreticus. Maar ja, na zijn operatie hebben we hem maar Zaek genoemd. Omdat, ja, je weet wel.”
“Maar Hannibal Hannie geen noemen? Nee, dat kan toch niet. Een fijne avond verder.”
Beiden gingen ieder huns weeg de eigen gedachten meedragend de nacht in.
