In het ouderenverzamelgebouw zit mevrouw, haar naam weten de meeste niet eens, in haar appartement. De minuten rijgen zich aaneen tot uren, de uren tot dagen, de dagen tot weken en de weken tot jaren.
Ze leeft, maar er is geen levendigheid in haar.
Hé een ambulance glijdt voorbij aan het ruime raam met dubbelglas.
De gordijnen schuiven links en rechts open, ook bij “die van de vijfde” de plaatselijke, hoe heet ze ook weer, die nu naar de rechtbank moet omdat ze roddelde, was het geen zju?
Nou ja, die moet ze ook al niet.
Maar wie zou het dit keer zijn? Hij van de derde zag er wel slecht uit, maar die van de eerste was naar de dokter geweest. Tja, sinds we hier wonen zijn er al elf dood gegaan. Dan komen er nieuwe mensen wonen en die gaan ook dood. Als je hier woont ga je pas dood weer weg toch?
Hoe zou het met die man van de tweede gaan? Al weken niet gezien, toen ik naar de container ruimte liep hoorde ik dat hij ruzie heeft met zijn vrouw. Arm mens, ze zit met hem opgescheept. Maar ja, dat zat ik ook met die van mij, maar die is gelukkig al lang dood.
Lekker alleen, puzzeltje leggen en uitslapen.
Of die alleenstaande man van de begane grond, die zag ik bij de dokter, niet mijn type trouwens, zoveel rimpels, allicht dat hij zich niet scheert, is niet te doen. Maar ja, toch een vies manneke. Dat die ooit een vrouw heeft gehad met zo’n kop. Niet om aan te zien.
Kijk, daar zijn ze weer, ligt er iemand op de brancard? Nee, misschien is hij al dood, dat kan makkelijk, sinds ik hier woon zijn er al elf dood gegaan. Nee, niet mijn vent, dat was al dood toen ik hier kwam, eigenlijk al voordat hij dood was. Die ligt diep genoeg, kan niet diep genoeg zijn toch?
Goh, al weer een uur voorbij, wat gaat de tijd toch snel. Tijd voor een bakkie.
