Het zal u, trouwe lezer, niet ontgaan zijn, het is carnaval in het zuiden van het land.
Er waren tijden dat ik, me nog niet geheel bewust van, wat zeer geleerde mensen noemen, mijn stoornis om mij van groot ongemak te doen huiveren als ik in ruimtes ben waar een grote overdaad aan mensen aanwezig is, zeker als ze met zoveel zijn dat zowel lichamelijk contact als overbodig geluid constant in ruime overdaad aanwezig is. Dat was in de tijd dat de grote rivieren nog niet massaal werden overgestoken door lieden die denken dat Heineken bier is en dat het over- en bovenmatig gebruik van de mousserende gerstenwijn geen onderdeel is van het festijn.
Mijn eerste kennismaking met carnaval was op de lagere school. Gezeten in de schoolbanken was ik, evenals mijn ruim veertig klasgenoten, druk bezig om met behulp van een kroontjespen letters tussen lijntjes te kalligraferen, een kunst die ik tot op de dag van vandaag mij nog niet eigen heb gemaakt, wat voor de lesgevende frater leidde tot het loopbaanadvies mij als dokter te gaan ontwikkelen, hij zal het me niet euvel duiden dat ik het slechts tot doctor heb geschopt denk ik, toen we wreed gestoord werden door een stem die het midden hield tussen de bazuin op de dag des oordeels en het geluid van een tijger die na een paar dagen vermageringsdieet om een hartig ontbijt brult.
“Carnaval is een zonde!”
Het was de pastoor, een figuur met een figuur zoals het in de boekenreeks van Giovannino Guareschi, handeldend over een dorpspastoor in een klein dorp in Italie, uitstekend is beschreven. Kort, dik (tegenwoordig moet je dat als "enorm" vernoemen is mij vertelt) en toch imposant.
“Maar een zonde zo nu en dan moet kunnen.”
Haastig veegde ik de gemorste inkt van mijn schrift wat een test opleverde die Hermann Rorschach tot diepe gedachten zal hebben gebracht, maar mij slechts kennis liet maken met een verwijtende blik en een dreigement met het bij leraren in die tijd geliefde instrument, het Spaanse rietje.
Voor de mensen die niet bekend zijn met carnaval moet vermeld worden dat dit zuiver katholieke feest tot halverwege de jaren ’60 verboden was en slechts in het grootste geheim gevierd werd in kroegen, maar de geestelijkheid was niet vies van een beetje alcohol naast de miswijn dus ook onze pastoor niet.
“Maar als je een zonde juist beleeft dan zal de heer Jezus erbarmen tonen. Carnaval is als ik als pastoor samen met de burgemeester op de kaaibaand (rand van de stoep) een zak friet (patat), niet van D’n Buik, (de caferiahouder om de hoek van de school’, die in grotere mate enorm was dan de pastoor) eet. Het gaat om de gelijkheid van alle mensen, dat bedenken we dan, voordat we naar de vastenperiode gaan. Wie weet wat de vastenperiode is?”
Niemand durfde de stem te verheffen, dus bleef het antwoord uit.
“Dat we een tijd niet snoepen en andere lekkere dingen doen. En ook geen vlees eten op vrijdag”.
Hij keek rond met een blik die gezag en aandacht afdrong.
“De kroketten van dn Buik mogen dan wel, want daar zit geen vlees in”
Hij keerde zich om en schreed de klas uit statig op een manier die je van een pastoor verwacht.
Was het nog maar als toen, dan was ik wellicht nog in de verleiding gekomen te gaan. Maar ja….