frutsels

korte verhaaltjes met een beetje actualiteit

Fabeltje

Het was een van die rasperige, onaangename stemmen die zich doen horen als je een partijtje golf speelt en daarbij een stel kolonels buiten dienst in de weg staat. Wat aan deze stem ontbrak, waren minzaamheid, warmte en de lieflijke kirrende klank waardoor de ene koerduif de nabijheid van een andere koerduif opmerkt. Kortom, de vermeend machtigste man te wereld was op TV.

U weet wel wij toch? Als je hem aankijkt glimlacht hij op een manier of hij zich verontschuldigt voor zijn aanwezigheid op aarde, wat helaas wel het geval is. Die blik waarmee het begrip arrogantie een compleet nieuwe dimensie geeft en als hij iets zeg dan zegt hij het op een toon of het een verdienste is waarvoor hij meteen geridderd door alle koningshuizen ter wereld zou moeten worden.
Nu lig ik al lang niet meer wakker van als ik niet kan slapen, maar mijn vaak overactieve brein heeft het maar druk met de huidige situatie. En als HGB (Het Grote Brein) het druk heeft dan popt er vaak van alles,  als paddenstoelen in de herfst, op vanuit het overactieve werkgeheugen. En zo popte er zo juist, genietend van een zelfgemaakt voedzaam doch sober bordje voedsel, ineens een oude herinnering op.
Ik dien hierbij te vermelden dat ik tijdens mijn, goddank mislukte, idee paus te worden, enkele jaren seminarie geforceerd vele stukken van geachte poëten in het brein heb op doen slaan, die zo nu en dan ineens actief worden, zo ook nu.
Het behelsde een fabel van La Fontaine, vertaald door Jan Prins, die de situatie van deze tijd treffend weergeeft..

De Krekel en de Mier
Daar de krekel leefde in zang
maanden lang,
ziet van veel zij zich verstoken,

nu de koude is aangebroken.

Niet het kleinste hapje insekt,

vlieg of rupsje, dat ze ontdekt.

En dus klampt zij, om den broode,

buurvrouw mier aan met haar nooden,

en zij vraagt wat graan te leen,

dat zij door den winter heen

voortbestaan mag tot de lente.

‘Hoofdsom, zegt zij haar, en rente

krijg-je, op dierenwoord, zoo vlug

als het oogsttij wordt, terug.’

Maar zoo'n leentje-buur, zoo'n klaagster

komt de mier wel 't minst van pas.

‘Wat, zoolang het zomer was,

deed-je dan?’ zegt ze aan die vraagster.

‘Nacht en dag, voor mensch en dier,

zong ik, als mij ingegeven.’

‘Zong-je? Heb ik van mijn leven!

Dans dan nu maar. Veel pleizier!’


Voor de taalpuristen, in ruime mate aanwezig, het is de oorspronkelijke tekst die via “copy and paste” is overgenomen.
Maar hoe treffend is het verhaaltje nu weer. Wat waren “we” lekker bezig met de droom van Bregman, de waanidee dat er nooit meer oorlog kwam en dat grote broer Amerika zich wel als een kloek met ons als kuikens zou gedragen.
Ik kan en wil niet dansen, zeker niet naar de pijpen van een despoot.

Schrijf als eerde een reactie