“Hoogplassen meneer, hoogplassen!”
Lachend keek de oudere man, zelf ook in het gezelschap van een diertje dat met enige fantasie ook voor een hond kon doorgaan me aan.
“Ja, dat doen honden. De mijne heeft net tegen doe boom een straaltje losgelaten en die van u probeert hoger te komen.”
Het zielige plasje aan de onderkant van de boom bewees dat mijn hond het kampioenschap hoogplassen uit zijn koppie kon zetten. Maar dat interesseerde hem blijkbaar weinig.
“Het is een mannenkwaal meneer, nou ja, verplassen dan. Gaat me niet meer zo goed af helaas. Iets met mij pros.
“Uw pros?”
“Ja, dat schijnt in de onderbuik te zitten meneer. De dokter zei het, mijn pros staat groot meneer. En daardoor spuit ik geen vlieg meer van plee dus. Wat die pros in ieder geval niet is weet ik wel, want de rest van de onderbuik staat zeker niet meer. We worden slap wakker tegenwoordig ja.”
Ik knikte instemmend en besloot er verder niet op in te gaan, mannen delen dat kwaaltje niet zo graag. Het is geen mannengriep per slot.
“Die Tromp meneer, die in de augurken was in Amerika, was op de TV toch, die was in augurken en nu president. Die denkt ook dat ie ver kan plassen. Benieuwd naar zijn pros! Stel je voor dat de augurken koning, die komt uit een of ander gat Kesbeek geloof ik, bij ons president wordt. Hoe gek kan het worden nog in de wereld”.
De honden hadden inmiddels de kennismakingsrituelen afgehandeld en wilden verder.
“Nou, tot ziens maar weer. Zou die Tromp familie zijn van die zeemannen Tromp? Denk het wel misschien!”.
Hij liep denkend weg, zwaaide nog een keer en ook wij togen naar de warme kachel.”