“Hallo buur, hoe gaat het met u?”
“Ik mag niet klagen beste buur.”
“Edoch, indien u wel zou mogen klagen, wat zou dan uw antwoord zijn?”
“In dat geval kan ik zeggen dat er wel enige reden is tot klagen, maar ja, niets echt ernstig buiten de kwalen die leeftijd en mijn ziektes met zich meebrengen.”
“Doch, beste buur, ik ontwaar, zelfs met mijn ogen die, zo zegt mijn echtgenote, echt een bezoek aan een opticien dan wel optometrist noodzakelijk maken, een forse blauwe plek rond uw rechteroog.”
“Ja, ondanks uw visueel ongemak heeft u dat correct opgemerkt. Het zit zo, in een opwelling van sportiviteit, mede aangemoedigd door het mooie lenteweer en het voortdurende aandringen van mijn echtgenote, had ik mijn rijwiel, vanwege de leeftijd uitgerust met een door elektriciteit aangedreven centraal geplaatste motor die de trapbeweging ondersteunt, uit de voor rijwielen bestemde ruimte van het ouderenverzamelgebouw waar wij ons domicilie hebben, van een laagje stof ontdaan en daarmee de straat op gegaan.
Na een korte tijd van redelijk snelle voorbeweging ontwaarde ik voor mij een wezen dat ik in het kort het beste kan omschrijven als een droomvrouw, een blonde fee, een muze!
Ik keek haar aan en voelde mij wat zwoel worden om de haarwortels. Haar ogen waren groot en glansden vochtig van een wellicht nog ongeweten verlangen naar andere dingen dan boterhammen met muisjes en krentenbrood. De tere en toch zo vastberaden welving van haar kin vervloeide naar de aanbiddelijke lijn van haar trotse hals, die oprees van de glorie van haar schouders, dewelke op hun beurt onder haar dunne zomerkleedje het lokkend geheim lieten raden van datgene, wat zich daaronder bevond: haar nobele inborst!
Helaas was ik daarbij vergeten ook naar de weg te kijken en belande ik weinig elegant maar erg pijnlijk tegen een lantaarnpaal die daar blijkbaar was neergezet door een noeste werker van de gemeente.
Ze boog zich over me heen een informeerde met een zachte stem of ik me bezeerd had. Geheel tegen de waarheid in antwoorde ik dat het wel mee viel.
‘Als u wilt kan ik u een lift geven.’ sprak ze met een stem als die van een engel van Gabriel.
Helaas wonen we gelijkvloers dus moest ik het aanbod afslaan,
Welnu, daarom heb ik nu een blauw oog dus”
“Heftig buur, maar ben je niet te oud om naar jonge dames te kijken?”
“Als ik me op een rijwiel voortbeweeg zeker wel denk ik.”
“Prettige dag verder dan maar.”
