Ze zaten in de huiskamer van de afdeling waar geen naambordjes meer op de deuren stonden, dat had weinig zin vond het personeel; namen bleven toch niet hangen, zaten ze samen. Wat wel bleef hangen, waren overtuigingen. Ze hingen als jassen aan kapstokken die niemand meer zag, maar die iedereen bleef dragen.
Elke ochtend werd de man in kamer drie als eerste wakker. Hij zat rechtop in bed en wachtte tot iemand de gordijnen voor hem opende.
“De natie kan niet wachten,” zei hij dan. “Er is een toespraak nodig.”
Hij heette Ronald, maar dat was bijzaak. Hij was president. Dat wist hij zeker. Soms van Amerika, soms van een land dat al lang niet meer bestond, maar altijd van iets groots. Wanneer de verzorgster binnenkwam met zijn medicijnen, knikte hij haar toe alsof ze net was beëdigd.
“Dank u voor uw dienst,” zei hij plechtig.
Zij boog een beetje mee, omdat dat eenvoudiger was dan te corrigeren.
In de gemeenschappelijke ruimte zat meestal al een andere man aan tafel. Hij droeg elke dag hetzelfde colbert, ook al zat het scheef en was de elleboog gladgesleten. Hij heette Wim en hij leefde in 1987. Niet omdat hij dat jaartal kon noemen, maar omdat alles daarna niet meer bestond.
“Ik heb mijn zaak verkocht,” zei hij tegen iedereen die naast hem ging zitten. “Goede prijs. Je moet op het juiste moment uitstappen.”
Daarna zweeg hij tevreden, alsof hij net een zware last had afgelegd. Soms herhaalde hij het, voor de zekerheid. Soms keek hij uit het raam en leek hij te wachten op iets dat hem kwam halen: een nieuwe toekomst, die al bijna veertig jaar onderweg was.
Aan de andere kant van de ruimte zat mevrouw De Vries. Zij deed niet mee. Dat was belangrijk. Ze zat rechtop, handen gevouwen in haar schoot, en keek met lichte afkeer naar het knutselmateriaal dat op tafel werd gezet.
“Ik ben hier niet om beziggehouden te worden,” zei ze. “Ik ben geen bediende.”
Wanneer de activiteitenbegeleidster voorstelde om te schilderen of een spelletje te doen, schudde mevrouw De Vries haar hoofd. Ze had haar hele leven gewerkt, vond ze. Nu was het haar beurt om te zitten en te kijken hoe anderen het deden. Dat ze zich niet meer herinnerde wat ze had gewerkt, deed daar niets aan af. De houding was genoeg.
Soms botsten de werelden tegen elkaar. De president wilde orde en stilte voor overleg. Wim wilde vertellen over zijn verkoop, steeds weer, steeds opnieuw. Mevrouw De Vries vond dat het allemaal veel te luidruchtig was voor een fatsoenlijke ruimte.
En toch was er een soort evenwicht.
Op een middag, toen de regen zacht tegen de ramen tikte, stond Ronald op en klopte met zijn lepel tegen een glas.
“Dames en heren,” begon hij. “We moeten vooruit.”
Wim keek op. “Vooruit is goed,” zei hij. “Na de verkoop ben ik ook vooruitgegaan.”
Mevrouw De Vries snoof, maar ze bleef luisteren.
Ronald keek de kring rond, ernstig, betrokken. “We doen allemaal wat we kunnen,” zei hij. “Iedereen draagt bij.”
Mevrouw De Vries haalde langzaam haar schouders op. Ze pakte een potlood en schoof het papier naar zich toe.
“Goed dan,” zei ze. “Maar alleen om te laten zien hoe het moet.”
Niemand herinnerde zich later precies wat er getekend was, of wat er gezegd werd. Maar die middag zaten ze samen aan tafel. Een president zonder land, een ondernemer zonder toekomst, een vrouw die geen bediende was.
En in dat kleine, vergeten moment leek het alsof ze precies waren waar ze moesten zijn.
