Ome Koos

Ome Koos, althans de ome Koos van tante Sjan, was geen oom, net zo min al tante Sjan een tante was. Ome Koos was een collega van mijn vader die een vriend was geworden. Samen met andere ooms en tantes, die geen echte oom en tante waren, was ome Koos lid van de GG, de club van Gezellige Gezichten, waarin hij zonder meer het meeste voldeed van de eerste eis van het lidmaatschap, een gezellig gezicht. Dat gezicht straalde een persoonlijkheid uit, waaraan zelfs Pietje Bel of Dik Trom niet aan konden tippen. Een en al ondeugd, de kop van een belhamel van zeven hooguit acht jaar, ogen die vol levensvreugde de wereld in schenen, altijd een lach rond de mond, kuiltjes in de wangen, een en al gezelligheid en dat alles in een het lichaam van een man die de middelbare leeftijd al even was gepaseerd

Tante Sjan, de vrouw van Koos, terwijl de formulering dat Koos de man van Sjan beter was, want zij had, zo werd gezegd, de broek aan, ook al was ze altijd in rokken, zoals het vrouwen betaamd, gekleed, was zoals gezegd, een tegenpool waarmee het bewijs dat tegenpolen elkaar aantrekken zowel bewezen als onbegrijpelijk is. Ze waste hem constant spreekwoordelijk de oren, tot groot vermaak en hilariteit van de andere leden van de GG.

Als bij een van de bijeenkomsten er meer dan voldoende, of teveel, bier in Koos terecht was gekomen, gebeurde wat iedereen verwachtte. Hij stond op en zong “De voet van de oude Wester”. Eerst het couplet wat verhaalt dat hij er als kindje geboren was, wat een pertinente onwaarheid was tot het moment waar iedereen op wachtte: “Die mooie, die fijne Jordaan!”
Nadat Sjan, het hoorde bij het ritueel“ Koos, stel je niet zo aan” had geblaft zette hij het refrein in “Aan de voet van de oude Wester, heb ik steeds in gedachten gestaan…” breed gebarend als een operazanger, waarbij niet zelden enkele lege flessen ter aarde gingen, waarna iedereen inhaakte, behalve Riet natuurlijk, en hij de zinnen een voor een declameerde. De stemming steeg harder dan het promillage, Sjan werd bozer. Het hoorde erbij!

Tot die keer…
De GG waren die keer te gast bij Sjan en Koos, die naast het werk van Koos ook een kleine winkel in rookwaren runden. Ze zaten samen in de gezellige woonkamer, die meteen achter de winkel was gevestigd en zoals altijd de sfeer uitgelaten. De kamer stond blauw van de rook, het bier stroomde rijkelijk en Koos was net klaar met de ode aan de kerk in de Amsterdamse Jordaan.
“Effe de aardappels afgieten” zijn bekende zinnetje als het bier zijn blaas te gespannen had. Hij bleef lang weg en de mensen begonnen al een beetje lacherig te doen. “Koos zal wel weer op bed in slaap zijn gevallen” wat eerder al eens was gebeurt.
Maar nee, daar was hij, zijn vrolijke gezicht nog vrolijker, maar bezorgd. In zijn rechterhand een glas met een heldere vloeistof, de linkerhand stevig dicht.
“Da’s toch geen snevel Koos?” bitste Sjan.
“Nee, een glaasje water en” hij opende de linkerhand “Twee aspirientjes voor Sjan. Tegen de hoofpijn!”
“Ik heb helemaal geen hoofdpijn zot!”
“Eindelijk een keer, mee naar boven dan, ik heb zin in je…”

Het gelach van de GG was tot ver in de omgeving te horen gevolgd door het geluid van van een stoomtrein die door een iets te nauw bocht rijdt wat van Sjan die in woede ontstoken iedereen het huis uit joeg! Koos moest weken op de bank slapen. De GG moesten het maanden zonder het stel doen voordat de storm gezakt was. Maar ja, er was tenminste weer iets om over te ouwehoeren.

Jaren later werd Koos naar zijn laatste rustplaats gebracht en tijdens de bijeenkomst na de begrafenis  klonk uit de kelen die nog resteerden van de GG het lied van de Westertoren.

Schrijf als eerde een reactie

© 2022-2026 Ad de Beer. Overnemen en/of publiceren alleen na schriftelijke toestemming en onder vermelding van de bron.