Dicht bij het ouderenverzamelgebouw waar wij sinds twee jaar ons woonstulpje hebben is, naast een ouderen grand café in een tehuis voor gebrekkige ouderen, ook een buurthuis gevestigd, waar, naast de voor ouderen noodzakelijk geachte attributen zoals een biljart, koffievoorziening en stamtafel, ook de fysiotherapeut, waar ik meerdere keren per week met zowel pijn als moeite probeer weer enige spierkracht te verkrijgen, is gevestigd.
Toen ik na weer een inspannend uurtje pijn lijden naar buiten strompelde, mij had ingehouden een tegen de grens die tegenwoordig onze humor beperkt, de man die driftig bezig was zijn ballen, biljartballen dus, te poetsen, kwam ik in de sluis die de kou, striemende voorjaarsbui en gure wind tegen probeert te houden, een man die al enkele centimeters boven zijn haar was uitgegroeid tegen.
Geheel naar de waarheid zei hij, ook mogelijke grensoverschrijding vermijdend, dat het nat weer was.
Geestig en ad-rem als altijd antwoorde ik dat je daar krullen van krijgt, wat, aangezien het nog maart is en het spreekwijs het over mei heeft, niet geheel een juiste opmerking was, keek hij me aan, glimlachte en zei:
“Dit weer is beter voor de slaai (voor de bovensloters, dat is midden brabants voor sla) dan voor mensen.”
Hij schudde de nattigheid van zijn kleding en begaf zich door de binnendeur die inmiddels geopend was in de richting van zijn biljartmannen die hem met de nodige egards begroetten.
Ik strompelde huiswaarts een wijsheid en veel spierpijn, maar met een glimlach rond de lippen, naar huis. Eenmaal nat thuis aangekomen had ik nog steeds het gevoel dat het, ondanks mijn fysieke gesteldheid, het weer en de stroom van vervelende nieuwsberichten toch een leuke dag kon worden.
